'Zelf wel eens geprobeerd met de minister te onderhandelen? Succes!' Dit was één van de ludieke slogans die de AC Rijksvakbonden in 2014 gebruikten. De collectieve arbeidsovereenkomst levert van oudsher en ook nu genoeg stof tot discussie. Zo zitten we nu, mei 2015, al bijna 1600 dagen zonder cao sector rijk. Hoe is de cao in het verleden eigenlijk ontstaan en wat is het draagvlak van een cao nu? Ongeveer 80% van de werknemers valt onder een cao. Van deze werknemers is ongeveer 20% aangesloten bij een vakbond. Gemeten naar ledentallen lijkt het draagvlak klein, maar uit onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de werknemers het belangrijk vindt dat er vakbonden en cao's zijn en dat zij die cao positief waarderen. Een terugblik in vogelvlucht.

1894. De eerste cao
In 1894 werd op initiatief van de Amsterdamse vakbondsleider Henri Polak de Algemeene Nederlandse Diamantbewerkers Bond opgericht. De directe aanleiding hiervoor was een algemene staking van diamantbewerkers in november van dat jaar. In reactie op de povere arbeidsomstandigheden en grootschalige uitbuiting in de diamantindustrie bundelden de diamantbewerkers hun krachten. In totaal kwamen er zo'n tienduizend diamantbewerkers op de been. Uiteindelijk leidde dit tot de eerste tariefafspraken en arbeidsregelingen in een 'collectieve' arbeidsovereenkomst.

1914. De eerste landelijke cao
Het duurde tot 1907 voordat de cao wettelijk werd erkend. In 1914 (100 jaar geleden) kwam vervolgens de eerste landelijke overeenkomst over loon, arbeidsduur en arbeidsomstandigheden tot stand tussen de Werkliedenorganisatie in de Typografie (de oudste landelijke vakbond) en de Nederlandse Bond van Boekdrukkerijen. Zowel werknemers als werkgevers moesten georganiseerd zijn. Het was georganiseerde werkgevers verboden om ongeorganiseerd personeel aan het werk te hebben.

1927. De Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (wet cao)
Een cao is een afspraak tussen een vakbond en een werkgever. Moet de baas dan ook ongeorganiseerde arbeiders cao-loon betalen? Daar breekt men zich jarenlang het hoofd over. De Wet op de cao bepaalt uiteindelijk dat een werkgever die partij is bij een cao, die cao voortaan moet toepassen op georganiseerde én ongeorganiseerde werknemers.

1929. Ambtenarenwet
Na de spoorwegstaking van 1903 was het ambtenaren verboden om te staken. De rechtspositie van de ambtenaar wordt geregeld. Hij krijgt geen arbeidsovereenkomst, maar een 'aanstelling'. De overheid stelt zijn arbeidsvoorwaarden vast, maar er is ook rechtsbescherming en beroep mogelijk.
1945. Geleide loonpolitiek
Na de oorlog overleggen regering, werkgevers en vakcentrales met elkaar over de loonontwikkeling. De 'richtlijnen voor de loonvorming' bewaakt het College van Rijksbemiddelaars. Hun taak is onder meer alle cao's te keuren. De vakcentrales hebben een sterke adviesrol naar de regering via de Stichting van de Arbeid.

1959. Meer speelruimte
De wederopbouw raakt voltooid. Door krapte op de arbeidsmarkt wordt het steeds moeilijker om de strakke loonbeheersing vol te houden. Er worden 'zwarte lonen' betaald, die uitgaan boven wat het College van Rijksbemiddelaars goed vindt. De politiek versoepelt de richtlijnen voor de loonvorming. Voortaan mag de loonstijging per bedrijfstak verschillen, afhankelijk van de productiviteitsstijging. 'Te hoge' loonafspraken worden nog steeds onverbindend verklaard. Maar in 1964 is de arbeidsmarkt niet meer te houden en komt het tot een 'loonexplosie'.

1970. Wet op de Loonvorming
Het kabinet wil wel vrije loonvorming toestaan, maar in noodgevallen moet de regering toch een loonstop kunnen afkondigen of zelfs bepaalde cao-afspraken onverbindend kunnen verklaren. Ondanks fel vakbondsprotest wordt deze loonwet aangenomen. De jaren zeventig laten een opleving van vakbondsstrijd zien op alle fronten. Tot 1982 maakt de regering dertien maal gebruik van haar bevoegdheid om in te grijpen in cao's. Pas in 1987 wordt de Wet op de Loonvorming zo veranderd, dat ingrijpen alleen nog bij hoge uitzondering mag worden gedaan.

1982. Akkoord van Wassenaar
De werkloosheid loopt op. Het eerste kabinet Lubbers dreigt met een looningreep en lagere uitkeringen als de sociale partners er zelf niet uit komen. Er komt arbeidsduurverkorting in ruil voor het niet uitbetalen van de prijscompensatie, nader uit te onderhandelen op decentraal niveau. De regering doet geen looningrepen meer. Er ontstaan meer verschillen tussen cao's. Zelfs ambtenaren krijgen (in 1993) decentrale cao's. De toenmalige Minister van BZK, Ien Dales, ziet de sectoralisatie bij de overheid als een stap in de richting van arbeidsvoorwaardenoverleg waarbij er sprake zal zijn van 'echte' onderhandelingen tussen overheidswerkgever en vakbond. Zonder directe interventie van de politiek. Dankzij de cao's ontstaat er een behoorlijke mate van stabiliteit op de arbeidsmarkt.

Vanaf ruwweg 1990/2000
De cao richtte zich decennialang op de 'gemiddelde' werknemer. Iemand met een middelbare schoolopleiding, fulltime werkend, alleenverdienend kostwinner met een vast contract en met vaste werktijden op een vaste plek. Maar de 'gemiddelde' werknemer is er niet meer. Diversiteit op de werkvloer neemt toe en de maatschappelijke trend van individualisering leidt tot uiteenlopende werknemerswensen over de eigen arbeidsvoorwaarden. De strategie van de vakbonden was vooral gericht op het beschermen en behouden van verworven rechten, maar noopt nu ook tot het maken van afspraken op basis waarvan medewerkers een deel van de arbeidsvoorwaarden zelf kunnen invullen.

Begin 21e eeuw. Politieke sturing
Het kabinet roept vanwege de financieel-economische ontwikkelingen op, tot een beheerste loonontwikkeling en heeft voor de publieke sector de nullijn afgekondigd. Gezien de politieke budgettaire druk lukt het niet om bijvoorbeeld voor de sector Rijk tot een cao te komen. De rijksoverheid als organisatie wordt geacht het kabinetsbeleid dat voor de hele maatschappij geldt, als voorbeeldgedrag uit te voeren. Gevolg is dat de ruimte voor concessies die hoort bij vrije onderhandelingen, nihil is.